Het bedrieglijk slot

Het bedrieglijk slot 11

Het was donker en koud. Meer kon Archibald nog zeggen over zijn mysterieuze verblijfplaats. “Hallo? Cecilia?” declameerde hij. Met een galm verspreidden zijn woorden zich door de ruimte. Archibald rilde. Waar was hij en hoe kwam hij hier? Plotseling werd hij uit zijn gedachten opgeschrikt door een schelle gil. Archibald draaide zich, gegrepen door angst. Hij zag Cecilia staan. Zij had een flakkerende kaars in haar handen terwijl ze het uit gierde van het lachen. Archibald trok bleek weg; wat wilde deze Cecilia toch van hem? Wat was de dienst die hem te wachten stond. Even was Archibald bang dat zijn laatste uur geslagen had ware het niet dat Cecillia het volgende deed. Met langzame en vloeiende bewegingen bewoog Cecilia naar links. Vol spanning volgden Archibalds ogen het gestalte in het licht van de kaars. Plotseling zag Archibald een nieuw voorwerp verschijnen. Zijn adem stokte. Cecilia verdween tot haar schouders achter het mysterieuze voorwerp. Wat Archibald niet wist, was dat iets heel bijzonders hem stond te wachten, een moment wat hij eeuwig zou blijven koesteren. Cecilia zette de kaars op het onbekende object en giechelde nog eens. Toen klonk er een oorverdovend hard geluid. Ineens had Archibald het door: het was een melodietje! Het ging pjam-tie-pjam-pjam-tie-dam-pjam.
Vol bewondering en ongeloof keek Archibald toe hoe Cecilia het melodietje uit het voorwerp leek te toveren.