Columns

Sitecolumn #42

Bij dit seizoen, net te vroeg om al bij de open haard kerstliedjes gaan te zingen en net te laat om nog buiten van het weer te kunnen genieten (serieus, hoe veel regen kan er vallen?!), hou ik altijd van wat melancholische muziek om mijn melancholische stemming aan te vullen. Nu lijkt dit natuurlijk gek, want het is veel logischer om blije muziek te luisteren als je je melancholisch voelt, maar ik heb dan liever juist de zwaarmoedige muziek die bij mijn emoties past. Nu ik erover nadenk houd ik eigenlijk altijd wel van melancholische mu­­ziek, hoe blij ik me ook voel. Misschien relativeert het wat? Anyway, toen ik afgelopen week (twee keer) bij The National, een van mijn favoriete bands, in de HMH Afas Live was, viel het me ook op dat die musici er ook niet echt uitzagen alsof ze er he-le-maal klaar mee waren. Zanger Matt Berninger maakte, met enige wijntjes op, lichte grapjes tussendoor (en schreeuwde recht in mijn gezicht, maar dat is een heel ander verhaal) en gitaristen Bryce en Aaron Dessner zaten heel tevreden in hun eigen wereldje met hun gitaren, piano en synths. Hun muziek gaat ook vaak over relatieproblemen, terwijl tekstschrijver Matt juist gelukkig getrouwd is en zijn vrouw hem zelfs helpt met het schrijven van de teksten!

Toen ik na de concerten in de trein weer terug ging naar huis, dacht ik nog even na hoe bijzonder dit juist is. Bijna alle andere muziek die ik écht goed vind wordt ook gemaakt door getroubleerde zielen. Denk alleen al aan Nirvana: geweldige muziek, de “stem van een generatie” (niet de mijne, mocht je me oud inschatten), maar tegelijkertijd was frontman Kurt Cobain depressief, heroïneverslaafd en aan de alcohol. In 1994 maakte hij op 27-jarige leeftijd een einde aan zijn leven. Hun muziek is zo mooi omdat de pijn van Cobain in die nummers zit gevangen, en naar mijn mening werd Nirvana ook steeds beter naarmate het slechter ging met Cobain. Verschrikkelijk, maar het laat wel zien hoe zijn leven en lijden en zijn kunst onlosmakelijk verbonden waren.

Iets lichter: Radiohead heeft met 9 albums (and counting) een hoop geweldige muziek gemaakt, maar voor mij steken er nog steeds 3 albums met kop en schouders bovenuit: OK Computer uit 1997, Kid A uit 2000 en A Moon Shaped Pool uit 2016. Deze 3 albums hebben een enorme verscheidenheid aan muzikale stijlen, maar 1 ding hebben ze gemeen: het ging niet goed met zanger Thom Yorke toen de albums uitkwamen. In 1997 was Radiohead ongeveer de grootste band van Groot-Brittannië, door hun grote hit “Creep”. Dat nummer was zo’n enorme hit dat het grote publiek eigenlijk niet verder wilde luisteren dan dat (nou was hun hele vroege muziek ook niet altijd het luisteren waard…). Bij elk concert werd er constant om Creep gevraagd, en de band liep het risico een eendagsvlieg te worden, zoals Smash Mouth met “All Star” (al denkt die band daar anders over). Dit viel zwaar op zanger Thom Yorke, en het resultaat is OK Computer een album dat nog steeds als een van de beste van de jaren ’90 wordt gezien. Maar hoewel het voor de band een waanzinnig succesvol album was, ging Yorke zelf steeds meer ten onder aan de druk, wat in 1999 leidde tot een zenuwinzinking. Yorke kon eigenlijk niets meer schrijven (wat voor de belangrijkste lied- en tekstschrijver niet heel handig is), en dus werd hij gedwongen rust te nemen en nieuwe manieren te vinden om muziek te schrijven. En dat leidde weer tot mijn persoonlijk favoriet Kid A, wat een van de beste albums van de jaren ‘00 wordt genoemd. Mocht je dat album niet kennen en wel houden van elektronische of minimalistische muziek: luister het nu. Of in ieder geval zodra je toegang hebt tot Spotify. Anyway, fast forward 15 jaar. Radiohead is inmiddels een stuk ouder, alle leden hebben inmiddels kinderen, en de hectiek van de jaren ’90 heeft plaatsgemaakt voor een rust, met eens in de ongeveer 4 jaar een album. Toch gaat het weer iets minder met Thom Yorke: hij scheidt van zijn vrouw, die een paar maanden later overlijdt aan kanker, en van producer Nigel Godrich (vaak het “zesde lid” van Radiohead genoemd) overleed de vader. En inmiddels kan je wel raden wat er gebeurt: ze maken het beste album in jaren. A Moon Shaped Pool is naar mijn mening een van de meest verfijnde en subtiel prachtige platen die ooit is uitgebracht.

Dan door naar nog een grootheid: David Bowie. Hij heeft een nóg langere carrière, met 26 studio-albums in 50 jaar. En in die carrière springen er bij mij ook meteen 3 albums uit als zijn beste: Station to Station uit 1976, Low uit 1977 en Blackstar uit 2016. En ook hier is er een enorm directe relatie met de gezondheid van Bowie zelf. In 1976 was David Bowie cocaïneverslaafd, en tijdens de opnames van Station to Station leefde hij op een dieet van cocaïne, rode pepers en melk. Later zou hij zeggen dat hij niks meer wist van deze opnamesessies. Op het randje van de dood, met een levensstijl die je niet lang kan volhouden, verscheen juist hierdoor een fantastische plaat met een eclectische mix van soul- en krautrockinvloeden. Deze plaat is juist zo mooi omdat het zo’n heftige weergave is van Bowie in die tijd, al wordt het album “verteld” vanuit een personage, de Thin White Duke, eigenlijk een verlengstuk van zichzelf.[1] Low is een beetje de keerzijde hiervan. Bowie verhuisde naar Europa en besloot af te kicken. Terugkijkend op de duistere periode die hij net had doorstaan en reflecterend op zichzelf schreef hij mijn favoriete Bowie-album. Een prachtig krautrockachtig album, met veel minimalistische invloeden. Dit is het eerste album van zijn Berlin Trilogy, vaak zijn beste reeks albums genoemd. Na deze periode heeft Bowie zichzelf nog vaak veranderd, te veel om hier allemaal even op te noemen. Dus laten we maar meteen door gaan naar 2016. Op 8 januari, zijn 69e verjaardag, brengt David Bowie Blackstar uit, een fantastisch album waarin hij lijkt afscheid te nemen. Maar afscheid waarvan? Van het character Major Tom? Is dit weer een wedergeboorte van Bowie, zoals hij al zo vaak zichzelf opnieuw heeft uitgevonden? Ja en nee. Twee dagen later overlijdt Bowie, en alles valt op zijn plek. Het hele album staat in het teken van zijn eigen dood, en het is gemaakt als “afscheid”: “Look up here, I’m in heaven / I’ve got scars that can’t be seen”. Nou ja, de correlatie moge duidelijk zijn: zijn beste werk komt als hij bijna dood gaat, en als hij daadwerkelijk dood gaat. Opnieuw zorgt zwaar leven voor mooie muziek.

En er zijn nog véél meer bewijzen te vinden, in zowel de populaire als de klassieke muziek maar ergens moet deze column natuurlijk eindigen. Ik ben wel benieuwd of er ooit onderzoek is gedaan naar de correlatie tussen het lijden van kunstenaars en de kwaliteit van de kunst. Hoewel het dus niet altijd opgaat (zie The National, al hebben zij ook geen volledig rooskleurig leven), heb ik het gevoel dat er wel heel vaak een correlatie tussen zit. Natuurlijk zijn “lijden” en “kwaliteit” lastig te kwalificeren, maar een correlatie tussen aangetoonde geestelijke gezondheidsproblemen (depressie etc.) en bijvoorbeeld top 40-noteringen zou toch te vinden kunnen zijn. Ik weet het niet. Als iemand zin heeft om RILM door te spitten: ik hoor het graag! En voor nu ga ik vooral lekker even The National luisteren en mijn tevredenheid over mijn leven gebruiken om mijn gebrek aan muzikale talenten goed te praten.

[1] Mensen die ook net Populaire muziek & jazz hebben gehad: sorry voor het terughalen van Auslander-trauma’s